Peter Nijssen
De laatste keer dat ik Pem gezien heb moet half december 2006 zijn geweest. Het was op de kerstborrel van De Arbeiderspers. Het was er druk en rumoerig, maar desondanks slaagden we erin even met elkaar te praten. Hoelang zal dat gesprek geduurd hebben. Vijf minuten? Zeven minuten? Een eeuwigheid in het licht van zo’n avond waarop je als gastheer meer dan honderd mensen spreekt en er tachtig niet meer dan begroet en uitzwaait.
Pem had iets voor me bij zich.
Pem had altijd iets voor me bij zich. Een boekje, een hebbedingetje, een gedicht op een kaart gezet. Whatever. Weinig auteurs die zo attent waren als Pem. Bij de geboorte van onze kinderen, toen ik meldde dat ik me met sportboeken ging bezighouden – altijd kwam er een lieve brief en meestal zat daar ook nog een cadeautje bij.
Voor mij heette Pem algauw Pem Sluijter (en die naam is ze vervolgens ook voor de lezers blijven behouden), maar zo vanzelfsprekend was dat helemaal niet toen ik haar in 1996 leerde kennen. We hebben zelfs serieus overwogen haar debuut te brengen onder de schijversnaam Pem Rutgers. In een brief d.d. 2 september 1996 die ik van haar bewaard heb, staat het volgende te lezen. ´De omslag met de Rutgers-variant heeft als ``uniek exemplaar`` goede dienst gedaan op een feest waar zij mij, ingelijst, werd aangereikt met de woorden ´´mag ik je opnieuw mijn naam aanbieden. Wij vierden een aantal jaren huwelijk``.´
Zo heb ik haar ook gekend – als een geestige vrouw met een onderkoelde, sobere humor. En ook als een vrouw met een groot vermogen tot peinzen en sprekend nadenken of nadenkend spreken. Niet voor niets noemen we haar poezie precies en filosofisch. Zijzelf was precies en filosofisch.
Nadat haar debuutbundel Roos is een bloem in 1997 was verschenen, geprezen en bekroond met de C. Buddingh-prijs hoorde ik een tijdlang niet zo veel van haar. Nee, dat klopt niet. Ik hoorde wel geregeld van haar omdat zij zich geregeld meldde met de eerder genoemde brieven en attenties (waaronder een, zoals ik hem zelf ben gaan noemen, perpetuum mobilekandelaar), maar er kwam een tijdlang niet zo heel veel poezie meer uit haar handen. Nou ja, eigenlijk is ook dat niet waar. Die gedichten kwamen wel, langzaam maar zeker, uit haar handen, maar die kreeg ik niet te zien. Pem dichtte langzaam en zeker. En gemeten naar de tijd die ze erover gedaan heeft om haar eerste bundel bij elkaar te schrijven, kan je achteraf stellen dat ze die tweede bundel, Het licht van Attika, eigenlijk verdomd snel heeft geschreven. Daar liggen ´maar´ zeven jaar tussen.
Nooit kunnen en durven denken dat dat ook haar laatste bundel zou zijn.
Nooit kunnen en durven denken dat ik haar vrijwel op de dag af een jaar voordat ze zou sterven voor het laatst heb gezien. Ergens tijdens die eeuwigheid van zeven minuten, het zal denk ik aan het begin zijn geweest, gaf zij mij weer eens een cadeautje. Het is een cadeautje dat ik koester. Een cadeautje dat ik, wanneer ik maar even in mijn wielerboekenkast snuffel, tegenkom en dat mij aan haar herinnert. Hoe vaak heb ik het afgelopen jaar niet gedacht dat ik haar nog eens moest bellen of schrijven om haar te zeggen hoe leuk ik het had gevonden dat cadeautje van haar te krijgen. Het is het boek Met banddikte van Jan Derksen, de grote baansprinter die Nederland in de jaren vijftig kende. Het is met een voorwoord van Toon Hermans. En er staat een opdracht in. ´Voor Pem, ter herinnering aan de afscheidsborrel in Polen. Dick Ariese.´ Ik ben er niet zeker van dat ik die naam goed ontcijferd heb, maar hoe dan ook.
Met banddikte. Wat een toepasselijk geschenk voor iemand die sportboeken is gaan doen en een verwoed wielerliefhebber is.
Het is ook wielerterm. Iemand die op de streep net geklopt wordt. Zo iemand wordt met banddikte verslagen.
Ook ik ben verslagen. Door Pem. Maar niet met banddikte. De verslagenheid is heel wat groter. Ik heb haar wiel niet eens kunnen houden. Als attente dichter was ze me mijlen ver voor. Pem is over de streep gegleden en ik zie haar niet meer terug. Verliezen is pijnlijk, zeker als er eigenlijk niks te winnen was.
Ik zal me Pem blijven herinneren als een lieve, bezonnen vrouw en een dichter die een heel precies en filosofisch dichterlijk oeuvre tot stand heeft gebracht. Dat blijft bestaan. Dat kunnen we lezen. Dat zullen we doen.